Woordenlijst
U zocht het woord , wij vonden 358 resultaten.

Karaat
De term karaat is bij edelstenen een gewichtsaanduiding, in tegenstelling tot karaat als een gehalte aanduiding bij edele metalen.Eén karaat weegt 0,2 gram en één karaat is onderverdeeld in 100 puntjes. De gewichtsaanduiding 0,50 karaat of 50 puntjes betekent dus een diamant van een half karaat. Als een steen wordt aangeduid als 10 puntjes betekent dat 10 stenen samen één karaat wegen. Hoe meer de diamant weegt, hoe zeldzamer en zeldzaamheid samen met kwaliteit is altijd prijsbepalende factor.

Zuiverheid
Met zuiverheid wordt bedoelt de hoeveelheid natuurlijke insluitsels die in een diamant voorkomen. Een diamant met weinig insluitsels is waardevoller dan een diamant met veel en met het blote oog zichtbare insluitsels.

Solitair.
Een ring met 1 briljant geslepen diamant, vandaar solitair, het is de traditionele manier om een grotere briljant tot zijn recht te laten komen en is in de Engels sprekende landen de traditionele verlovingsring.

Rondist.
De rondist is de zijkant van een facet geslepen steen. Soms wordt bij briljant de rondist ook gepolijst.

Diamant
Diamant is een mineraal dat bestaat uit koolstof dat onder grote druk en enorme hitte miljoenen jaren geleden gevormd is. De belangrijkste vindplaatsen zijn Zuid-Afrika, Rusland en tegenwoordig Australië, Canada en landen in West Afrika. Diamant heeft een hardheid van 10 en is het hardste materiaal bekend en daarom kan alleen diamant diamant slijpen.

Tafel.
Het platte facet aan de bovenkant van een gefacetteerde steen wordt de tafel genoemd.

Scheen
een scheen is het deel van de ring die om de vinger gaat.

Chaton.
Een chaton is een zetting met 2 of meer pootjes of klauwtjes, waarin een steen in wordt geklemd.

Pave zetting.
Als steentjes dicht op elkaar in het metaal gezet worden en met kleine afgeronde splintertjes metaal , die greintjes worden genoemd, op hun plaats worden gehouden.

Rondom zetting.
Een rondom zetting is een gladde zetting die rondom de steen zit met een klein randje metaal over de steen dat de steen op zijn plaats houdt.Omdat er geen uitstekende pootjes of haakjes zijn is het een veilige manier van stenen zetten.

Greinendraaier.
Een klein stukje staal met een halfronde inkeping aan de punt dat wordt gebruikt om de splinterjes metaal af te ronden die in een pavezetting over de stenen zijn geduwd.

Mohs.
De Duitse mineraloog Friedrich Mohs (1773 - 1839)heeft een hardheids tabel opgesteld waarbij hij ervan uitging dat het ene mineraal zachter is dan het andere, wanneer men het ene mineraal met het andere kan krassen.De hardheids tabel geeft dus een relatieve en geen absolute hardheid aan, zoals het geval is bij de Brinell-hardheid van metaal legeringen.

Hardheids schaal.
Zie Mohs.

Hardheidstabel.
Zie Mohs.

Halfedelsteen
Het woord halfedelsteen is fout, een steen is een edelsteen of geen edelsteen. Een edelsteen moet voldoen aan verschillende eisen, zoals hardheid, duurzaamheid en zeldzaamheid. Een steen kan niet voor de helft aan deze eigenschappen voldoen en daarom is het woord halfedelsteen onjuist.

Absorptiespectrum.
Patroon van donkere lijnen of banden dat wordt gezien als een edelsteen door een spectroscoop wordt bekeken.

Allochromatisch.
Verwijst naar stenen die worden gekleurd door spoorelementen, zonder welke de steen kleurloos zou zijn.

Alluviale afzettingen.
Opeenhoping van materiaal dat door verwering van het moedergesteente is losgeraakt en vervolgens werd afgezet door rivieren en beken.

Amorf.
Zonder een regelmatige inwendige atoomstructuur of uitwendige vorm.

Acanthus.
Plant uit het Middellandse Zeegebied. De bladeren dienen als motief voor het ornament in de klassieke en vele latere stijlen.

Lichtbreking.
De buiging van een lichtstraal als deze overgaat van lucht naar een ander medium.

Brekingsindex.
Maat voor de vertraging van en afbuiging van lichtstralen als zij doordringen in een edelsteen.Deze kan gebruikt worden om een individuele steensoort te determineren.

Refractieindex.
Zie Brekingsindex.

Cabuchon.
Een slijpvorm waarbij de bovenkant een bolle ronde vorm heeft. De onderkant kan vlak zijn of minder bol als de bovenkant.Men spreekt dan van een dubbele cabuchon.

Camee.
Een in relief uitgevoerde afbeelding meestal uitgevoerd in een schelp, maar kan ook voorkomen in edelstenen.

Composietsteen.
Een steen samengesteld uit verschillende mineralen.

Dichroisme.
Een edelsteen vertoont dichroisme als het bij het bekijken onder verschillende hoeken twee verschillende kleuren of kleurschakeringen vertoont.

Soortelijk gewicht.
Gemeten als het gewicht van het materiaal vergeleken met het gewicht van een gelijk volume water.

Diffractie.
De schifting van wit licht in zijn samengestelde spectrum kleuren als het door een gat of een rooster valt.

Dispersie.
De schifting van wit licht in zijn samengestelde spectrumkleuren, de kleuren van de regenboog, als het door schuine vlakken valt, zoals die van een prisma of gefacetteerde edelsteen. Dispersie in edelstenen wordt ook wel 'vuur' genoemd.

Doublet.
Samengestelde steen bestaande uit twee stukken die op elkaar zijn gelijmd.

Dubbelbrekendheid.
Het verschil tussen de grootste brekingsindex en kleinste brekingsindex in edelstenen met dubbele breking.

Dubbele breking.
Verschijnsel waarbij iedere lichtstraal in twee wordt gesplitst als het een niet-kubisch mineraal binnentreedt.Iedere straal heeft een eigen voortplantingssnelheid en zijn eigen brekingsindex.

Edelsteen.
Decoratief mineraal, meestal een mineraal dat wordt gewaardeerd om zijn schoonheid, duurzaamheid, en zeldzaamheid.

Erts.
Gesteente dat zoveel metaal bevat dat het commercieel gewonnen kan worden.

Evaporiet.
Sedimentair gesteente of mineraal dat gevormd wordt door verdamping van mineraal houdende vloeistoffen, gewoonlijk uit zeewater.

Facet.
Vlak van een geslepen steen.

Facetering.
Het slijpen van het oppervlak van een edelsteen in facetten. Het aantal en de vorm van de facetten geven de steen zijn slijpsel.

Fantasieslijpsel.
Naam voor de vorm van een steen die op een ongebruikelijke manier is geslepen.

Gemengde slijpvorm.
Slijpsel waarbij de facetten boven en onder de rondist in verschillende slijpsels zijn geslepen, gewoonlijk een briljantslijpsel en een trapslijpsel onder.

Geode.
Holte in een gesteente, waarin kristallen de binnenwand van de holte bekleden en naar het midden toegroeien.

Gesteente.
Materiaal dat bestaan uit een of meerdere mineralen.

Glans.
Aanzien van een steen dat ontstaat door de weerkaatsing van het licht op zijn oppervlakte.

Hardheid.
Zie Mohs.

Hydrothermaal.
Verwijst naar processen waarbij mineralen worden omgevormd of afgezet uit water dat verhit is onder invloed van magmatische activiteiten.

Idiochromatisch.
Verwijst naar edelstenen waarvan de kleur afkomstig is van elementen die een hoofdbestandsdeel van hun eigen chemische samenstelling vormen.

Imitatie.
Materiaal dat een uiterlijke gelijknis vertoond met een edelsteen waar het een imitatie van moet zijn, maar dat andere een fysieke eigenschap heeft.

Insluitsel.
Kristallen of fragmenten die worden aangetroffen in een steen en dat een andere samenstelling als deze heeft. Een aantal kan gebruikt worden om een speciaal soort mee determineren

Organische edelstenen.
Materiaal met de kwaliteit van edelsteen die door levende organismen worden geproduceerd. Enkele voorbeelden zijn parels, koraal en barnsteen.

Intrusie.
Magnetische gesteenten dat doordringt in reeds bestaande gesteenten en daar in uitkristalliseert.

Iriseren.
Weerkaatsing van licht door inwendige structuren in een steen, waardoor een kleurspel met de zogenaamde regenboogkleuren ontstaan.

Katoogeffect.
Het lichtspel in sommige stenen dat op kattenogen lijkt als ze in cabuchon vorm worden geslepen.

Kristal.
Vaste stof met een bepaalde inwendige atoomstructuur, waardoor de karakteristieke uitwendige vorm en fysieke- en optische eigenschappen ontstaan.

Kristalstelsel.
Inwendige rangschikking van de atomen in een kristal. Alle kristallijne edelstenen kunnen naar de symmetrie van hun structuur ingedeeld worden in een van de zeven hoofdgroepen: kubisch, tetragonaal, hexagonaal, trigonaal, orthorombisch, monoklien en triklien.

Kroon.
Het deel van een geslepen steen dat zich boven de rondist bevindt.

Kryptokristallijn.
Mineraalstructuur waarbij de kristallen zo klein zijn dat zij zonder microscoop niet te zien zijn.

Lava.
Gesmolten gesteente dat vrijkomt bij een vulkanische uitbarsting.

Magma.
Gesteente in een vloeibare fase onder het aardoppervlak.

Magmatische gesteenten.
Gesteenten die gevormd zijn uit bij vulkanische uitbarstingen vrijgekomen lava of uitgestolde magma.

Massief.
Term gebruikt om mineralen te beschrijven die geen bepaalde vorm hebben of die uit een massa van kleine kristallen bestaan.

Matrix.
Het gesteente waarin een edelsteen wordt gevonden. Ook bekend onder de naam moedergesteente of grondmassa.

Metamikt.
Term die de overgang van materiaal aangeeft van een kristallijne toestand naar een amorfe onder invloed van de aanwezigheid van radio-aktieve elementen.

Metamorfe gesteenten.
Gesteenten die zijn omgevormd onder invloed van warmte en/of druk waarbij nieuwe gesteenten ontstaan met nieuwe gevormde mineralen.

Microkristallijn.
Structuur van mineralen waarbij de kristallen zo klein zijn dat zij niet met het blote oog te zien zijn.

Mineralen.
Anorganische, in de natuur voorkomende materialen met een constante chemische samenstelling en een regelmatige inwendige structuur van de atoom.

Moedergesteente.
Zie Matrix.

Opalescentie.
Melkblauwe vorm van iriseren.

Organische edelsteen.
Edelsteen gemaakt door of afkomstig van levende organismen met name: barnsteen, git, ivoor, koraal en parels

Paviljoen.
Het gedeelte van een geslepen steen dat zich onder de rondist bevindt.

Pegmatiet.
Een magmatisch gesteente dat gevormd wordt uit residuaire vloeistoffen bij afkoeling van magma, waarbij vaak grote kristallen ontstaan.

Plaatvormige
Habitus van een mineraal dat gekenmerkt wordt door vlakke dunne kristallen.

Placer.
Geconcentreerde (secudaire) afzetting van mineralen gewoonlijk in rivieren of zeeën.

Pleochroisme.
Term dat gebruikt wordt om een edelsteen te beschrijven die twee of meerdere kleuren of kleurschakeringen heeft, als hij van verschillende kanten wordt bekeken.

Polykristallijn.
Verwijst naar een mineraal dat uit vele kleine kristallen is opgebouwd.

Primaire afzettingen.
Materiaal dat nog in het originele gesteente voorkomt. Zie ook secundaire afzettingen.

Prismatisch.
Habitus waarin evenwijdige paren rechthoekige vlakken prisma`s vormen.

Pseudomorf.
Een mineraal met de uitwendige vorm van een mineraal van een andere soort.

Puntje.
een honderste deel van een karaat ven een edelsteen( 2 milligram ).

Refractometer.
Apparaat waarmee de brekingsindex van edelstenen wordt gemeten. Zie brekingsindex.

Rondist.
Rand om het breedste deel van een geslepen steen, waar de kroon over gaat in het paviljoen.

Ruw.
Term gebruikt om een kristal of gesteente te beschrijven dat nog zijn natuurlijke vorm heeft, voordat het gefaceteerd of gepolijst wordt.

Samengestelde steen.
Steen die uit meerdere stukken is samengesteld, vaak als imitatie van een edelsteen.

Schist.
Metamorf gesteente waarin de kristallen onder invloed van grote hitte en/of druk evenwijdig aan elkaar gerangschikt zijn.

Secundaire afzettingen.
Edelstenen of mineralen die zijn vrijgemaakt uit hun oorspronkelijke gesteenten en elders weer zijn afgezet. Zie ook primaire afzetting.

Sedimentaire gesteenten.
Gesteenten gevormd door consolidatie en verharding van gesteente-fragmenten, organische resten of ander materiaal.

Slijpsel.
Term waarmee wordt aangegeven op welke wijze een steen is geslepen. Zie ook facettering.

Spectroscoop.
Instrument waarmee absorptiespectra van edelstenen bekeken kunnen worden.

Slijting.
Wijze waarop een steen breekt langs kristalvlakken waartussen een zwakke binding heerst in de inwendige atoomstructuur.

Streping.
Inwendige krassen, groeven of lijnen.

Symmetrie, as van
Denkbeeldige lijn door een kristal. Als een kristal om de as wordt geroteerd , wordt bij een rotatie 360 graden hetzelfde beeld twee of meerdere keren verkregen.

Synthetische edelsteen.
In het laboratorium vervaardigde steen waarvan de chemische samenstelling en optische eigenschappen gelijk zijn aan die van zijn natuurlijke soortgenoten.

Trapslijpsel
Slijpsel gekenmerkt door een rechthoekige tafel en rondist en met rechthoekige facetten die daaraan evenwijdig lopen.

Trichroisme.
Term voor een edelsteen die drie kleuren of kleurschakeringen vertoond als hij van verschillende kanten wordt bekeken.

Vergroeing.
Toestand waarbij twee of meer mineralen samengroeien en met elkaar vergroeid raken.

Vlakken.
Vlakke oppervlakken waardoor de uitwendige vorm van een kristal tot uiting komt.

Warmtebehandeling.
De behandeling van een edelsteen met warmte met als doel om de kleur of de helderheid te intensiveren of te veranderen.

Zuilvormig.
Een type habitus waarbij kristallen de vorm hebben van zuilen, verlengde prisma`s.

Aanloopkleuren.
Kleuren die tijdens verwarming onstaan aan het oppervlak van metalen.

Aflessen.
Het snel afkoelen van metalen in een vloeistof, zoals water of olie.

Aigrette.
Haarsieraad met edelstenen in de vorm van een veer. Mode in 18de eeuw.

Ajour.
Zettingen die aan de achterzijde zijn opengezaagd in een motief.

Ampula.
De schenkkannetjes voor de water en de wijn die bij de katholieke mis gebruikt worden.

Angel-Arend.
Het puntige deel van een vijl of graveersteker die in het heft gezet wordt.

Applique.
Een afzonderlijk gemaakt onderdeel van een sieraad dat bovenop een sieraad wordt bevestigd.

Baarijzer.
Gietijzer voor het gieten van broodvormige blokken (baren).

Baat.
Op- of ondergesoldeerde rand,

Baan.
De onderzijde van een graveersteker.

Baquette.
Een rechthoekig stuk zilver waarvan een lepel of vork gemaakt wordt.

Baquette.
Een rechthoekige slijpvorm voor edelstenen.

Barette broche.
Een lange staafvormige broche.

Barokparel.
Een grillige niet perfect ronde parel.Er wordt onderscheid gemaakt tussen semi-barok en barok.

Bestek.
Mes, lepel en vork.

Bladgoud.
Goudplaat uitgeslagen tot een dikte van 0,0001 mm.

Blisterparel.
Een tegen de schelprand aangekweekte parel.

Bloedsteen.
Bij het slijpen van haematiet, dat uit ijzeroxide bestaat, kleurt het water dat wordt gebruikt om te koelen rood. Vandaar de naam bloedsteen.

Boort.
Diamantpoeder dat wordt gebruikt voor zaag- en slijpwerk.

Bobeches.
Lekbakje aan een kaarsenhouder.

Bouton.
Een aan 1 zijde afgeplatte parel.

Briolet.
Een edelsteen die geslepen is als gefacetteerde peervorm.

Bruneren.
Het aanbrengen van hoogglans op metaal d.m.v.bruneerstalen of bruneerstenen.

Brusselse aarde.
Mengsel van zand en leem dat gebruikt wordt als vormmateriaal bij het zandgieten.

Brisure.
Een soort sluiting voor een oorsieraad.

Bijzet.
De metalen waarmee een (edel)metaal gelegeerd wordt.

Brochette.
Een lange smalle broche.

Burijn.
Oude benaming voor graveersteker.

Gecalibreerde stenen.
Een serie stenen die exact op een bepaalde maat geslepen zijn. (bijvoorbeeld voor een railzetting)

Calibre zetting.
Zetting waarin een aantal stenen aaneengesloten gezet worden in een bepaalde vorm.In principe wordt eerst de zetting gemaakt waarna de stenen op maat geslepen worden.(z.g. inslijpen)

Cannetille.
buisje van spiraalvormig gewonden goud of zilverdraad. (Bij filigrain)

Chatelaine.
afhangend gevlochten sieraad aan een zakhorloge.

Charivari.
Een kleine gouden of zilveren hanger aan een armband of horlogeketting.

Collier.
Een in vergelijking tot een ketting wat breder halssieraad met een lengte van ongeveer 40 cm.

Collier-du-chien.
Aan de hals aansluitend halssieraad bestaande uit verschillende naast elkaar liggende snoeren of kettingen.

Couvert.
Vork en lepel.

Cupelproef.
Methode om het gehalte van een edelmetaallegering nauwkeurig te bepalen. Het kroesje dat hierbij wordt gebruikt heet cupel.

Cuvette.
Stalen cylinder voor gietvorm.

Dagmaat.
De grootte van het zichtbare glas in een fotolijst.

Diamanteren.
Ook wel diamantglanssnijden genoemd.door diamanteren kunnen hoogglans facetten en motieven gemaakt worden op metalen delen.Het diamanteren vervangt grotendeels het arbeidsintensieve guillocheren.Het verspanende werk wordt gedaan met diamantbeitels.

Diadeem.
Hoofdsieraad dat meestal net over de haargrens gedragen wordt.

Double.
Twee lagen metalen (b.v. goud en tombak) die met elkaar verbonden zijn door het proces wellen.(Double kan b.v. als plaat en draad geleverd worden)

Doubleren.
In het goudsmidsvak verstaat men hieronder het op elkaar solderen van platen van verschillende legeringen (b.v. goud en zilver)

Ecusson.
Schildring.

Entouragezetting.
Een grote middensteen met daaromheen kleinere stenen gegroepeerd.

Eversharp.
Eversharpsysteem is een bepaald vulpotlood mechaniek. Andere systemen zijn: druksysteem,schuifmechaniek,valmechaniek.

Face a Main.
Handbril.(Lorgnet)

Facondraad.
Facondraad is draad waarin ornamenten zijn gewalst.

Fer de berlin.
Ijzeren sieraden oorspronkelijk uit Engeland.(18e en 19e eeuw) De naam is te danken aan gebeurtenissen tijdens het verzet van de Pruisen tegen de Napoleontische overheersing.

Filetzetting.
Een versneden zetting waarbij de stenen in een rij verzonken in het materiaal zijn gezet.De zetting is begrensd door een schuin naar binnen aflopende gestoken facet.

Filigrain.
Sieraden of ornamenten gemaakt van dun draad. de naam is afgeleid van het Latijn. Filum is draad, granum is korrel.

Folie.
Zeer dun metaalplaat dat bijvoorbeeld gebruikt kan worden bij afgedekte zettingen voor diamantrozen.

Galerie.
Machinaal vervaardigde ajourrand die om een steen gebogen kan worden om deze te zetten.Veelal toegepast in goedkope sieraden en bijjouterien.

Gem.
Steen met ingesneden (gegraveerde) voorstelling. (Als camee)

Giethuid.
Van oorsprong verstaat men hieronder het vastgebrande vormzand aan gietstukken. (Zandgieten)

Glyptiek.
Het graveren in een steen.

Grein.
Kleine metalen bolletjes.Bij versneden zettingen gevormd door steken van een spaantje dat d.m.v. een greinedraaier tot een bolletje wordt gedraaid.

Granules.
Kleine metalen bolletjes.de benaming granule wordt gebruikt bij de granuleertechniek.

Grenailles.
Metaal korrels verkregen door uitgieten in water.de korrels worden veelal bij het legeren gebruikt.

Guillocheren.
Het graveren van bepaalde lijnmotieven met behulp van een guillocheermachine.

Guillochure.
Versiering aangebracht met een guilocheer machine.

Gus.
Niet deelbaar gietijzer voor het gieten van rondstaf.(Massief, geheel doorboord)

Haarwerk.
Sieraden gemaakt van mensenhaar. (19e eeuw). Haarwerk kan ook verwerkt zijn in sieraden van edelmetaal.

Heraldiek.
Wapenkunde.

Incrustatie zetting.
De steen is verdiept aangebracht in het metaaloppervlak.

Instuiken.
Stuiken,het dikker slaan van een metaal.

Intaglio.
Verdiepte steengravures.

Intarsia.
Versieringstechniek waarbij een zacht metaal in een harder metaal wordt ingelegd.

Justeren.
Het nasteken van de rusting in een steenzetting om een goede passing te krijgen.

Jumelles.
Manchetknopen die aan weerzijde gelijk zijn.

Kaasduimen.
Ronde of ovale rondgezette zilveren plaatjes voorzien van punten om de kaas op te pakken.De kaasduimen worden om duim en wijsvinger geschoven.

Kloof.
Ook wel zetkloof.Klem waarin bijvoorbeeld ringen geplaatst kunnen worden bij het zetten.(Of andere werkzaamheden)

Knalgas.
Mengsel van 1 volumedeel zuurstof en 2 volumedelen waterstof.Verbrandingstemperatuur is 2800 gr.C.Het kan voor soldeerdoeleinden verkregen worden door elektrolyse van water.

Knorren.
Het zijdelings uitwalsen van het deel van de baguette waar de lepelbak of de spiegel van de vork geperst worden.De speciale wals hiervoor werd knormolen genoemd.

Koning.
Met de ''koning'' wordt goud bedoeld.

Koningswater.
Mengsel van 1 deel salpeterzuur en 3 delen zoutzuur.In dit mengsel is goud en platina oplosbaar.

Konchine.
Hoornachtig bestanddeel van de parel.

Lapideren.
Het slijpen en polijsten van facetten aan metalen voorwerpen met een lapideermachine.Bijvoorbeeld horlogekasten en zegelringen.

Lavuur.
Verzamelnaam voor edelmetaalhoudend afval uit de werkplaats zoals grondvuil,schuurpapier.

Lemmet.
Het deel van het mes waarmee gesneden wordt.

Leontine.
Oude benaming voor een eensteens hanger.

Loefje.
Verdikt stukje bij de overgang van de lepelbak naar de steel.

Lorgnet.
Handbril.

Luna.
Betekent maan.In de alchemie zilver.

Lunula.
Houder in de monstrans waarin de hostie wordt geplaatst.

Luster.
Glans van de huid van een parel.

Legering.
Mengsel van 2 of meer metalen, of een mengsel van metalen en niet-metalen.

Malakoff-Kit.
Witte parelkit op schellak basis.

Micron.
1 micron is 0,001 mm.de dikte van een doublelaag en galvanische lagen worden in microns aangegeven.

Matrijs.
Negatief stempel. Ook: rubber vorm voor het reproduceren van wasmodellen voor veroren wasgieten.

Milanaise band.
Gevlochten band van dunne draadspiralen.Veel toepassing voor horlogebanden.

Millegriffe.
Greinenrand ter versiering bij versneden zettingen,gemaakt met een millegrifferad.

Moffel.
Vuurvaste ovenmantel. Ook: gietvorm bij verloren-was gieten.

Momme.
Gewichtsaanduiding voor parels. 1 momme is 18,75 karaat = 3,75 gram.

Mortier.
Aan een kant gesloten stalen cylinder met stamper voor het fijnstampen van emaille.

Musketon.
Verende haak. Veel toegepast aan horlogekettingen.

Ossa sepia.
Rugschild van een inktvis.Wordt gebruikt bij een bepaalde gietmetode.

Overhemdenknopen.
Knopen voor smoking- of rokoverhemden.

Pateen.
Schaaltje bij de miskelk voor de hostie.

Patineren.
Het langs chemische weg aanbrengen van een patinalaag.

Patina.
Groene oxydelaag op koper.(Kopercarbonaat)

Palmhoutzaagsel.
Zaagsel van palmout (zuurvrij) voor het drogen van natte voorwerpen.

Parure.
Oude benaming (18e en 19e eeuw) voor een bij elkaar horende set sieraden.Kleine parure of demi-parure bijvoorbeeld oorhangers,broche,collier diadeem en een of twee armband(en).

Patrijs.
Positief stempel.

Patsen.
Het uitslaan van de lepelbak met een pers.

Pendeloque.
peervormige slijpvorm. Ook: oorhangers.

Pewter.
Engelse verzamelnaam voor verschillende tinlegeringen.

Platteren.
Galvanisch platteren is het aanbrengen van een goudlaag op een ondergrond d.m.v. een galvanisch proces.Mechanisch platteren is het aanbrengen van een goudlaag door lassen,warmwalsen of ander mechanisch proces.

Pleet.
Benaming voor verzilverd werk.De aanduiding 90, 100 of 120 op een verzilverd couvert geeft aan hoeveel gram zilver per 6 couverts is opgebracht.

Pletmolen.
Oude benaming voor plaatwals.

Pompdril.
Oud boorgereedschap bij de goudsmeden.

Pousset.
Klemschuifje op de stft van een oorknop.

Profaan.
Werelds, niet kerkelijk.

Potas.
Kaliumcarbonaat,wordt gebruikt als reducerend en verslakkend smeltmiddel.

Reduceren.
Het ontrekken van zuurstof aan een oxyde.

Reformknopen.
Manchetknopen.Aan weerszijde ongelijk.

Regel.
Metalen staafje voor het wikkelen van draadogen.

Rekken.
Het dunner maken van metaal door slaan,trekken of persen.

Riffelvijlen.
Speciale gebogen vijlen om bijvoorbeeld op verdiept liggende plaatsen te kunnen vijlen.

Rolled gold.
Engelse benaming voor double.

Rondist.
Omtrek van een geslepen edelsteen,scheiding tussen top en basis van een geslepen edelsteen.

Roulette.
Andere benaming voor millegriefferad

Sacraal.
Religieus of kerkelijk.

Sautoir.
Parelsnoer of ketting van 100-120 cm lengte.

Scarabe.
Uit steen gesneden mestkever. (Egyptisch)

Schellak.
Afscheidingsprodukt van de lakschildluis.Wordt gebruikt bij bijvoorbeeld het inlakken van parelsnoeren enz.

Schild.
Voorkant van een graveersteker.

Snarren.
Bij holle voorwerpen het van binnenuit opdrijven van het metaal d.m.v. een snarijzer.

Stavelij.
Oude benaming voor een goudsmidswerkbank.

Spinnetje.
In een cirkelgebogen spiraal bij filigrain.

Toetsen.
Onderzoeksmethode naar het gehalte bij edelmetaal.

Tourbillonring.
Benaming voor een type ring waarbij een sterke draaing in de vorm van de ringkop te zien is.Wordt ook wel wervelwind genoemd.

Tracoir.
Tracoir is een andere benaming voor een schrooipons.

Tragant.
Plantaardige kleefmiddel dat gebruikt wordt bij de emailleertechniek en de granuleertechniek.

Translucide.
Doorschijnend, bijvoorbeeld bij emaille.

Trefoil.
Dun naar beneden gebogen uiteinde van een lepelsteel.

Trembleren.
Graveertechniek waarbij een zig-zag motief met een vlaksteker wordt gemaakt.

Triboulet.
Konisch stuk staal.In diverse maten als rond,vierkant enz.Voor het in vorm zetten van ringen ,zetkasten enz.

Triple.
Triple is vergelijkbaar met double.Bij triple is het onedelmetaal echter aan twee kanten bedekt met edelmetaal.

Troy ounce.
Engelse gewichtsaanduiding voor edelmetaal.1 troy ounce is 31.1 gram.

Tula.
Benaming voor niello.Tula was de bakermat voor de nieleertechniek in Rusland.

Vijling.
Metaalafval verkregen door vijlen,zagen,boren,fraisen enz.

Vijzel.
Dikwandige kom van porcelein,staal of agaat met stamper voor het fijnwrijven van bijvoorbeeld emaille.

Versnijden.
Het wegsnijden van metaal met graveerstekers bij het maken van incrustatiezettingen.

Vitriool.
Benaming voor 10% zwavelzuuroplossing die door de goudsmeden gebruikt wordt voor het oplossen van oxydes en vloeimiddelen.

Wan.
Bak die gebruikt wordt bij het goudwassen.(Eenvoudige manier van goudwinning uit de rivierbedding).

Weense kalk.
Wordt vervaardigd uit het mineraal dolomiet en wordt gebruikt als polijstmiddel.

Wasbeentje.
Houtje waarop een beetje bijenwas vermengt met houtskool is geplaats.Wordt door de zetter gebruikt voor het oppakken van kleine steentjes.

Waterglas.
Mengsel van verschillende natrium en kaliumsilicaten.Wordt gebruikt bij de vervaardiging van vloeimiddelen en smeltmiddelen.

Wintergroenolie.
Snijolie in gebruik bij zetters.Extract uit een Amerikaans heideplantje.

Zaadparel.
Kleine parel met een diameter van ongeveer 1 mm.

Zaponeren.
Het aanbrengen van zaponlak op bijvoorbeeld zilver om het zwart worden tegen te gaan.

Zaponlak.
Sneldrogende lak van celluloid opgelost in aceton en azijnzuur die gebruikt kan worden om een metaaloppervlak te beschermen tegen oxydatie.

Zijlijzer.
Magneet voor het verwijderen van ijzerdeeltjes uit vijling.De deeltjes kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn van vijltanden,zaagtanden,freesjes enz.

Ajour.
Franse benaming voor licht doorlatend opengezaagd werk,bijvoorbeeld broodmanden en bonbonniere.

Bruineren/bruneren.
Manier van polijsten waarbij met een hematiet of een stuk gepolijst staal en water met zeep (of oud bier) hard over het zilver gewreven wordt.

Ciseleren.
Het met een speciale hamer en kleine ponsjes drijven van metaal in pek zodat er figuren in relief ontstaan, wordt ook gebruikt voor het afwerken van gegoten delen.

Eerste gehalte.
Een gehalte aanduiding voor zilver. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een eerste gehalte van 925/1000 en een tweede gehalte van 835/1000.

Filetrand.
Een rand met evenwijdige groeven.

Forceren.
Methode om op een soort draaibank een ronde zilveren plaat met behulp van een forceerplaat of rol (een stok met een gepolijst hard einde)tegen een draaiende klos te duwen zodat het metaal de vorm krijgt van deze klos.

Gildebeker.
Grote beker of bokaal die in gildekamers gebruikt werd om bij belangrijke feesten uit te drinken.

Granuleren.
Latijn granum is korrel versieringstechniek beken bij Etrusken(lange tijd is onduidelijk geweest hoe zei dit deden) waarbij kleine bolletjes d.m.v. chemisch soldeer op een voorwerp aangebracht worden.

Intrekken.
Het maken van bijvoorbeeld een beker of vaas uit een vlakke ronde plaat zilver door cirkelgewijs te slaan met een (intrek)hamer terwijl de plaat steunt op een staak.

Keur.
Merk voor het gehalte op zilver en goud.

Pleochroisme.
Edelstenen die vanuit verschillende richtingen bezien eenmaal of vaker van kleur verwisselen, vertonen pleochroisme.

Interferentie.
Interferentie is een optische eigenschap die veroorzaakt wordt door de weerkaatsing van licht door structuren in de edelsteen. Deze inwendige weerkaatsing veroorzaakt een licht- of kleurenspel

Katoogeffect
Zie Chatoyance.

Stersaffier.
Zie Asterisme.

Sterrobijn.
Zie Asterisme.

Chatoyance.
Als een edelsteen in cabuchonvorm wordt geslepen kan het licht in de inwendige structuren van de steen, zoals holtes of vezelige of naaldvormige insluitsels weerkaatsen en kan er een katoogeffect optreden.

Asterisme.
Als een edelsteen in cabuchonvorm wordt geslepen kan het licht in de inwendige structuur van de steen, zoals holtes of vezelige of naaldvormige insluitsels weerkaatsen en kan er een stersteeneffect ontstaan. Vezels georienteerd in twee richtingen leveren een vierstralige ster, vezels georienteerd in drie richtingen een zesstralige ster, enz.

Insluitsels.
Insluitsels behoren tot de inwendige kenmerken van edelstenen. Het zijn gasvormige, vloeibare of vaste stoffen die tijdens de groei van het kristal zijn ingesloten of die nadat het moedermateriaal was afgekoeld, breuken of scheurtjes opvulden. Insluitsels zijn van waarde bij het determineren van edelstenen, omdat sommige insluitsels kenmerkend zijn voor een bepaalde soort en andere alleen maar op een bepaalde vindplaats worden aangetroffen.

Geboortestenen.
Edelstenen zijn van oudsher in verband gebracht met de maanden van het jaar, en worden daarom geacht geluk en voorspoed te brengen aan mensen die onder hun "invloed" zijn geboren. Ook worden edelstenen in verband gebracht met de tekens van de dierenriem. De keuze van de stenen verschilt in veel landen. In de achtiende eeuw kwamen in Polen sieraden met geboorte stenen in de mode en vandaar verspreidden deze zich over de hele wereld. Hier is de meest gangbare selectie:
Januari = Granaat
Februari = Amethist
Maart = Aquamarijn
April = Diamant
Mei = Smaragd
Juni = Parel
Juli = Robijn
Augustus = Peridoot
September = Saffier
Oktober = Opaal
November = Topaas
December = Turkoois

NJC
NJC, staat voor Nederlandse Juweliers Club, is een organisatie van ongeveer 50 top juweliers.

NJU
NJU, staat voor de Nederlandse Juweliers- en Uurwerkbranche en is de overkoepelende organisatie.

de 4 C`s
Met de 4 C`s wordt bedoelt de 4 factoren die de prijs bepalen van een diamant.
Carat.
Cut.
Clarity.
Colour.

Arabesk.
Fantastische samenvoeging met gestileerd karakter van lijnen en figuren ontleend aan het planten- en dierenrijk. Oorspronkelijk Romeins, navolging sinds de Renaissance.

Baluster.
Korte zuilschacht met profielen en zwellingen.

Barok.
In de bouwkunst en verwante kunsten de stijl die ontstond in het begin van de 17de eeuw in Italie. In het Frans, baroque = zonderling, grillig.

Basement.
Basis, voetstuk van een zuil.

Cannelures.
Reeks vertikaal naast elkaar geplaatste groeven ontleend aan de antieke zuilschacht.

Caryatide.
Als zuil gebruikte vrouwenfiguur.

Cartouche.
Versierde omlijsting van een wapen of afbeelding, in relief met omgekrulde randen of door een krans van bloemen en bladeren.

Centaur.
Figuur uit de Griekse mythologie, half mens, half paard.

Ciborie.
Met deksel gesloten kelk in gebruik bij de R.K. eredienst voor het bewaren van hosties.

Concaaf.
Hol.

Convex.
Bol.

Cordeliere.
Gordelkoord met knopen.

Culot.
Kelkvormig aanhangsel.

Dorisch.
Griekse Bouwstijl, een tijdperk in de Griekse kunstgeschiedenis.

Empire.
Stijl uit de tijd van het keizerschap van Napoleon 1.

Festoen.
Slinger van loof, bloemen of vruchten.

Fleuron.
Gestileerd bekroningsmotief in bloemvorm.

Gotiek.
Bouwstijl, die zich ontwikkelde uit de Romaanse stijl, kwam in de 11de eeuw op in Noord-Frankrijk (spisbogenstijl). Benaming `Gotiek` stamt uit de Renaissance(`barbaars` , in tegenstelling tot de kunst uit de oudheid).

Griffioen.
Fabeldier, bovenlijf van een vogel, onderlijf van een leeuw.

Godronlijst.
Reeks bolle of holle olijfvormen omgeven door een van boven toegespitste omlijsting dienende voor randversiering.

Grotesken.
Fantastische gestalten en ornamenten, ontstaan door vereniging van mens, dier en planten in vreemde samenstelling. Stamt uit de Romeinse kunst, maar komt ook in de Renaissance voor.

Hogel.
Knopvormig versiersel, meestal naar plantenmotieven, langs lijsten en profielen op luchtbogen, wimbergen en dergelijke bouwelementen.(Gotiek)

Incrusteren.
Inleggen.

Ionisch
Griekse bouwstijl (tijdperk in de Griekse kunstgeschiedenis)

Kapiteel.
Kop van een zuil of schacht.

Knorren.
Een aaneengesloten reeks van blaasvormen.

Korintisch.
Griekse bouwstijl.

Kwabornament.
Versieringsvorm (ook kraakbeen-ornament genoemd) die een taaie of weke massa suggereert bestaande uit vliezen en kwabben waarin vervloeiende maskers, dolfijnen, en aan dierlijke organen herinnerende elementen zijn opgenomen.

Kyma.
Bladrand.

Lotus
waterplant, heilige bloem bij de Egyptenaren. Veel gebruikt versieringsmotief in de Griekse en Romeinse kunst.

Mascaron
Grotesk masker.

Meander.
oorsprong: Sterk kronkelende rivier in Klein-Azie. Naam voor bandversiering in de Griekse stijl.

Monstrans
Gouden of zilveren vaatwerk ter uitstralling van de H.Hostie.

Nodus
Verdikking van de stam van een beker of kandelaar, bedoeld voor het aanpakken.

Nimfen.
Lagere Godinnen uit de Griekse mythologie, dochters van Zeus. Personificaties van het natuurleven.

Obelisk
Smalle vierhoekige pilaar met een piramidevormige kop.

Palmet
Ornament dat op een palmblad lijkt.

Pilaster.
Zuil die half uit een muur komt.

Pinakel
Kleine torenvormige afsluiting, in de Gotiek gebruikt als bekroning van verticale, architectonische geledingen.

Plat
Het verdiepte midden van een schotel.

Pyxis
Doosje voor het bewaren van de Hosties.

Regence
Franse stijl ten tijde van het regentschap van Philippe d`Orleans (1715 - 1723). Overgang van de Lodewijk XIV-stijl naar de lichte en speelse vormen van de Rococo

Renaissance.
Betekent wedergeboorte. Tijdperk van de beschavingsgeschiedenis tegen het einde der Middeleeuwen.

Rocaille.
Versieringsmotief, dat herinnert aan schelpen.(Lodewijk XV)

Rococo
= Stijl van Lodewijk XV.

Rolwerk
Versiering van omkrullende bandmotieven.

Romaans
Stijl in de bouwkunst van de 10de tot de 13de eeuw ( rondboogstijl)

Traceerwerk
(maaswerk) Vlakversiering samengesteld uit lijnen, die met passer en lineaal te trekken zijn (Gotiek).

Tempera
Verfstoffen niet vermengd met olie, die, voor de ontdekking van olie als bindmiddel door de gebroeders Eyck, in de middeleeuwen werden gebruikt.

Trofee
Zegeteken bestaande uit buitgemaakte wapens.

Voluut
Spiraalvormig ingekruld ornament in S- of C vorm. Veel gebruikt als handvat bij bekers.

Wimberg
Ook winperg. In de Gotiek het driehoekige fronton waartussen de spitsboog besloten is, veelal voorzien van lijstwerk met hogels. (zie hogels)

NANIS.
Een Italiaans merk van moderne sieraden.

Kaasduimen.
Enigszins hol geslagen plaatje, voorzien van twee scherpe pennen om in de korst van een blok kaas vast te zetten, zodat daarvan een plakje gesneden kan worden zonder het met de vingers aan te raken.

NJC
Nederlandse Juweliers Club. Een organisatie van de belangrijkste juweliers in Nederland. Deze organisatie fungeert als denktank wat betreft veel gezamelijke problemen in het juweliers- engoudsmidsvak

Melee.
Dit zijn kleine diamanten van minder dan 0,20 karaat, meestal ligt hun waarde rond 0,10 karaat.

Certificaat
Een document dat de kenmerken van de diamant beschrijft en afgeleverd wordt door een gemmologisch instituut. Betrouwbare grading certificaten worden uitgegeven door: de HRD, het CGL, het IGI en de GIA.

CGL
Central Gem Laboratory CGL staat voor het Japanse 'Central Gem Laboratory' en werd in 1970 in Tokio opgericht. Hun voornaamste taak bestaat uit het sorteren, beoordelen en identificeren van diamanten en het beoordelen van slijpvorm en 'heart and arrows' motieven. Door de samenwerking met de Hoge Raad voor Diamant (HRD) is het CGL sinds 1992 ook in Antwerpen aanwezig.

Sluier
Een verzameling minuscuul kleine, witte onzuiverheden waardoor een witte schijn, ook wel eens sluier genoemd, ontstaat.

Kroon
Het gedeelte van de diamant boven de rondist. De kroon bestaat uit een groot, centraal facet bovenaan, de tafel genaamd en uit verschillende lager gelegen facetten.

kollet
Het kleinste facet aan de onderkant van de diamant, of wel de punt van de steen

Maaksel.
Maaksel verwijst naar de interne verhoudingen en afwerkingsgraad van een geslepen diamant. De verhoudingen verwijzen naar de relatie grootte-hoek tussen de facetten en de verschillende delen van de diamant. Als deze verhoudingen ideaal zijn, zal de diamant erg schitteren. Onder afwerking verstaan we de vorm en de plaats van de facetten en het slijpen. Het slijpen beïnvloedt zowel het gewicht als de schittering van de diamant. Naarmate de verhoudingen en de afwerking meer en beter balanceren, zal ook de waarde van de diamant stijgen.

Smaragdslijpsel
Een rechthoekig geslepen diamant. Niet te verwarren met de smaragd, een groen-kleurige edelsteen soort.

Geslepen rondist.
Een rondist die met 32 facetten geslepen is.

Veer.
Een onzuiverheid in de vorm van een witte, pluimachtige barst als gevolg van een scheurtje of breuk in de diamant.

HRD, Hoge Raad voor Diamant.
Een onafhankelijke organisatie zonder winstbejag in Antwerpen voor de Belgische diamanthandel en -nijverheid. Zij bieden betrouwbare en onpartijdige diamantcertificaten aan. De HRD wordt gecontroleerd (oa de normering) door de Belgische overheid.

Kleurschakering.
Zuivere, prismatische kleuren die nuanceringen en mengelingen van rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet omvatten.

Knoop.
Een kristal in de diamant dat zich uitstrekt tot op de oppervlakte van een geslepen diamant.

Moissaniet
Deze imitatie van diamant wordt gemaakt door Charles & Colvard en een dubbele breking is één van de weinige duidelijke dingen waarmee hij van echte diamant te onderscheiden valt.

Natuurdiamant of natuurdeel. In het Engels natural.
Een deel van de ruwdiamant dat na het snijproces overblijft op de afgewerkte diamant. Meestal wijst dit op het werk van een (te) kostenbewuste snijder die zo probeert het gewicht van de ruwe diamant maximaal te behouden.

Naald.
Een lang en dun kristal aan de binnenkant van de diamant dat eruit ziet als een kleine naald.

Kartel.
Een kras of een scherf aan de rondist of een facetnaad.

Misbaksel.
Een diamant waarvan de verhoudingen onvoldoende of ronduit slecht zijn.

Paviljoen.
Het onderste deel van de diamant, onder de rondist.

Polijstlijnen.
Kleine parallel lopende lijnen die ontstaan na het slijpen. Fijne parallellopende ribbels beperkt tot één enkel facet, veroorzaakt door onregelmatigheden in de kristalstructuur; of fijne parallelle geslepen groeven, ontstaan door onregelmatigheden in het oppervlak.

Polijstspoor.
Een sluier op het oppervlak van de diamant ontstaan door overmatige hitte (wordt ook wel eens brandplek of 'burned facet' genoemd) of een niet-egaal geslepen oppervlak dat ontstaat door onregelmatigheden in de structuur.

Behandelde diamant.
Een diamant waarvan de basiskleur ontstaat door een vorm van kunstmatige bestraling, vaak in samenhang met gecontroleerde opwarming (ook annealing genoemd). Andere mogelijke behandelingen van diamanten zijn: bedekken met een kleurlaag, opvullen van breuken, afbleken van vlekken d.m.v. laser, elektromagnetische conductie, witten.

YAG
Yttrium Aluminium Granaat is een moderne nabootsing en kan gebruikt worden als imitatie voor natuurlijke diamant.

Zirkoon.
Zirkoon is een metaal dat vrij in de natuur voorkomt. De synthetische nabootsing van dit mineraal heet kubisch zirkonium en wordt gebruikt als imitatiediamant.

Briljant.
Uitermate slim.

Briljant.
Ronde slijpvorm met 57 facetten, hoofdzakelijk voor diamant. Veel mensen en zelfs juweliers gebruiken het woord briljant als naam voor een steen en niet als slijpvorm. De juiste aanduiding zou een briljant geslepen diamant moeten zijn.

Korund.
Veel voorkomend mineraal. De rode variant is robijn, de oranje rose is padparascha, en de andere kleuren worden aanduid als, blauwe saffier, gele saffier, groene saffier enz.

Parels.
Parels worden gekweekt in oesters en mosselen in zout- en zoetwater. Door het inbrengen van objekten of door het inbrengen van een stukje vreemd tissue wordt de produktie van aragoniet, een parelmoer substantie, en van een organische hoornachtige stof, de conchine, gestimuleerd. Hierbij werkt de conchine als bindmiddel om de dunne laagjes aragoniet, die elk een dikte hebben van een paar duizendste millimeter, aan elkaar te binden. Na verloop van een paar jaar is de parel gevormd.

Sawubona.
Sawubona is het Zuluwoord voor Hallo of Goedemorgen

het Bossche Gilde van Goudsmeden
Het Bossche Gilde van Goudsmeden is opgericht in 2010 door de Goudsmeden uit 's-Hertogenbosch. Een van de doelstellingen is het bewaken en promoten van de hoogst haalbare standaard van vakmanschap onder de leden van het Gilde. Het Gilde heeft 7 categorieën op twee niveaus en maakt het verschil tussen gewone leden en meesters.

Verklaring van de herkomst van goud en diamant.
Verklaring van de herkomst van go...
Praktijkopleider van het Jaar
PERSBERICHT. ...
Polijst workshop door Stephen Goldsmith MNGG FIPG
Polijst workshop door Stephen Gol...
Lezing Vakmanschap.
Lezing over Vakmanschap tijdens d...
the Institute of Professional Goldsmiths.
...

Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing

 


Altijd al willen weten wat karaat, een facet of diamanteren is? Zoek het op in onze woordenlijst!

   
Bezoek de website van Verhaeg Webdesign & Webdevelopment 's-Hertogenbosch Stuur een e-mail naar Van Tol & Breet